De Renaissance (15de - 16de eeuw)

Deze periode is rijk aan belangrijke historische gebeurtenissen: het einde van de Honderdjarige Oorlog, de uitvinding van de boekdrukkunst, de verovering van Byzantion door de Turken, de ontdekking van Amerika, de godsdienstoorlogen. Al deze gebeurtenissen hadden weliswaar invloed op het bankbedrijf, maar de markantste factor was de (her)opkomst van de openbare banken.

De (her)opkomst van de openbare banken

De openbare banken zorgden ervoor dat de rennaissancesteden gefinancierd werden door leningen uit te geven. De gezamenlijke schuldeisers werden deponenten die dankzij de toevloed van nieuwe deposito’s hun activa konden recupereren zonder dat ze de terugbetaling van de lening aan de bank hoefden af te wachten.

Voorbeelden:

  • de eerste openbare bank was de Taula di Canvi (tafel van de wissels), die in 1401 door het stadsbestuur van Barcelona werd opgericht om het monopolie van de joodse bankiers te doorbreken;
  • in 1408 zag in Genua de Casa di San Giorgio het licht.

De eerste “banken van lening” in Italië

“Banken van lening” waren verenigingen van personen die in een geest van liefdadigheid samenwerkten om te lenen aan de armen en de strijd aan te binden met de woekeraars. De leningen werden toegekend in de vorm van leningen tegen onderpand.

Deze banken van lening werden vanaf 1428 opgericht door de franciscaner monniken en kenden een stormachtig succes in Italië. Ook bij ons was dat het geval na 1500.

Verspreiding van de privébanken over Europa

Ondertussen behielden de privébanken echter wel hun plaats of verspreidden ze zich over heel Europa.

Ze richtten zich niet alleen tot de klanten van handelaars en privépersonen maar ook tot de industriëlen en de overheid, die steeds meer financiële middelen beheerden.

Onder de privébankiers bleven de Italianen een eersterangsrol spelen met de families de Medici, Strozzi en Chigi. Ze vonden navolging in Frankrijk (Jacques Coeur), Engeland (Sir Thomas Gresham) en Duitsland (de Fuggers).

De eerste beurzen

De handelssuprematie van de Middellandse Zeelanden ging verloren aan het einde van de 15de  eeuw. De snelle groei van de handel in Noord-Europa leidde tot een behoefte aan instellingen die dagelijkse transacties aankonden (en niet langer periodieke zoals op de jaarmarkten). De ruil op de beurzen had niet alleen meer betrekking op de goederen, maar ook op wissels en vennootschapsaandelen.

Uit de oprichting van de beurzen kwam het fundamentele onderscheid tot uiting tussen:

  • de financiële markten: plaatsen waar kopers en verkopers elkaar ontmoeten en zaken doen met elkaar;
  • de banken: zij onderhandelen, op eigen verantwoordelijkheid, met elk van de partijen afzonderlijk.

In 1515 werd in Antwerpen, op dat moment een zeer belangrijk internationaal handelscentrum, de eerste beurs opgericht. Vijfendertig jaar later zou ze als voorbeeld dienen voor de Royal Exchange in Londen. De constante bedreiging van sociale, politieke en religieuze onrust in de Spaanse Nederlanden op het einde van de 16de eeuw luidde de ondergang in van Antwerpen ten voordele van Amsterdam.