De 19de eeuw

In de geschiedenis van de bank komt de 19de eeuw naar voren als een periode van groei en stabiliteit. In navolging van Engeland, de Verenigde Staten en Frankrijk gingen alle landen in de loop van de 19de eeuw de waarde van hun geld bepalen in edelmetaal of, wat op hetzelfde neerkomt, het gewicht, de benaming en de nominale waarde van het metaalgeld vastleggen. Er werd steeds meer gebruik gemaakt van bankgeld, waarbij een onderscheid gemaakt werd tussen:

  • metaalgeld (muntstukken)
  • chartaal geld (biljetten)
  • giraal geld (zichtrekeningen).

Die periode, die duurde tot 1914, wordt gekenmerkt door vier grote stromingen:

  • de opkomst van uitgifte-instellingen: deze instellingen probeerden de uitgifte van bankbiljetten in hun landen te monopoliseren;
  • de snelle groei van de zakenbanken: het ging hier om bankinstellingen die geen bankbiljetten uitgaven noch deposito’s inzamelden, maar optraden als adviseurs, makelaars of mandatarissen bij grote particuliere of openbare leningen, bij het zoeken naar kapitaal voor belangrijke projecten ter financiering van ondernemingen, bij de notering op de beurzen, de overname en fusie van ondernemingen, enz.
    De zakenbanken waren gestoeld op de handelshuizen (merchant banks) en stonden van meet af aan in het teken van de internationalisering. Hun kracht berustte veeleer op de reputatie en het persoonlijke vermogen van hun bestuurders dan op het kapitaal dat ze ter beschikking hebben.
  • het ontstaan van de handelsbanken, ook gemengde banken genaamd: aanvankelijk legden ze zich toe op de werving van deposito’s en de financiering van commerciële activiteiten in de vorm van kredieten of van deelnemingen in het kapitaal van de ondernemingen. Het kapitaal van die banken was doorgaans ruim verspreid bij het publiek in de vorm van aandelen.
  • Het ontstaan van para-bancaire instellingen: het ging om spaarkassen, kredietcoöperaties, woningspaarkassen, enz. die tegemoet wilden komen aan specifieke behoeften van de gewone klant.