De 17de en 18de eeuw

In de 17de  en 18de eeuw hadden alle landen, zelfs diegene die het katholieke geloof trouw zijn gebleven, zich - weliswaar stilzwijgend - neergelegd bij het feit dat interest betalen niet indruiste tegen de wet.

Nagenoeg overal worden bankinstellingen opgericht. Lyon, Genua en Genève groeien uit tot bankcentra.

De emissiebanken: het tumultueuze ontstaan van het papiergeld

De Bank van Venetië, die door de republiek Venetië rond 1637 werd gesticht, aanvaardde deposito’s die op een afgesproken tijdstip werden gestort en rente opbrachten. De bank gaf aan elke deponent een certificaat dat een primitieve vorm van bancair geld was: het deposito kon vóór de vervaldag worden terugbetaald, niet voor het nominaal bedrag, maar voor de prijs waartegen een nieuwe deponent het deposito wilde overnemen.

De Bank van Amsterdam gaf vanaf de jaren 1640 aan haar deponenten certificaten af die verhandelbaar waren volgens hetzelfde principe als die bij de Bank van Venetië, maar die afgerekend werden tegen een rekenmunt, “de florin-banco”.

Bij de in 1660 opgerichte Bank van Stockholm kregen deposito’s de vorm van certificaten. Ze leverden intrest noch commissieloon op en hadden geen precieze vervaldag. De certificaten waren betaalbaar aan toonder voor hun nominaal bedrag.
Deze certificaten groeiden uit tot echt papiergeld, dat even gemakkelijk te gebruiken is als metaalgeld. Ze werden in omloop gebracht na storting in contant geld of na een gewone schuldbekentenis. De Bank van Stockholm was de eerste bank ter wereld die geld in omloop bracht: ze kon liquide middelen genereren zonder vooraf deposito’s te moeten inzamelen. Doordat ze zich ertoe verplichtte de biljetten contant terug te kopen, liep ze wel een liquiditeitsrisico, want ze was verplicht haar voorraad metaalgeld aan te spreken zonder zekerheid te hebben over een onmiddellijke aanvulling.

De Bank of England speelde een cruciale rol in het ontstaan van het chartaal geld (biljetten). Bij het begin van de 17de eeuw deed de Tower of London dienst als brandkluis voor de handelaars van de City.

Nadat Charles I in 1640 beslag had gelegd op hun metaalgeld, besloten zij hun liquiditeiten à fonds perdu (met afstand van kapitaal) toe te vertrouwen aan de goudsmeden (goldsmiths) tegen een voorschot. De goudsmeden vormden zich om tot bankiers en gaven aan hun deponenten certificaten af, stonden leningen toe aan de staat, aan industriëlen en handelaars, tegen overgave van wisselbrieven. Dankzij hen ontwikkelden de banktechnieken zich in twee richtingen:

 

  • de certificaten werden onderverdeeld in gelijkwaardige coupures;
  • het endossement van handelspapier werd een courante praktijk.
In 1694 zette het Parlement het licht op groen voor de oprichting van een emissiebank "The Governor and Company of the Bank of England", een privé-instelling met een beginkapitaal van 1.200.000 pond waarop het publiek inschreef. Deze bank mocht deposito’s innen, biljetten aan toonder uitgeven met een vaste waarde die gelijk is aan een bepaald gewicht in edel metaal, en haar middelen aanwenden ter discontering van nationale of internationale wisselbrieven. In 1708 verwierf de Bank het monopolie voor de uitgifte van bankbiljetten voor Engeland en Wales.

Aan de vooravond van de 18de eeuw konden de burgers een beroep doen op volgende bankproducten: cheque, endossement, overschrijving, wissel, valutahandel, arbitrage, enz.  Vanaf dan is de geschiedenis van de bank verweven met het sociaaleconomische gebeuren en onderging ze de gevolgen van de industriële revolutie en de tweede koloniale expansie.